uiterlijk ,leefwijze?voorplanting,verspreiding

 

Deze grote landsalamander heeft een tropisch uiterlijk door zijn zwart met gele vlekken. De dieren kunnen een lengte van ongeveer 16 centimeter bereiken, maar er komen soms ook exemplaren voor die aanzienlijk groter zijn. Vuursalamanders zien er nogal plomp en onbeholpen uit met hun ronde romp en rolronde poten en staart. Ze lijken ook wel een beetje op een plastic speelgoeddier. De grondkleur van de Vuursalamander is pikzwart en op zijn rug lopen twee frequent onderbroken felgele lengtestrepen. De opvallende kleuren zijn een teken voor het feit dat de Vuursalamander giftig is. Uit klieren over zijn hele lichaam komt bij gevaar een giftige, melkachtige substantie naar buiten, dat bij mensen kan leiden tot huidirritaties. Voor dieren kan het gif ook gevaarlijk zijn, zo bestaan er gevallen van honden die in het buitenland stierven nadat ze een Vuursalamander hadden opgegeten. 

Overdag houden de dieren zich schuil onder stenen, planken, boomstronken, holtes tussen boomwortels, houtstapels, omgevallen bomen, hopen bladeren en spleten in de oever van beekjes. Deze schuilplaatsen dienen zeer vochtig te zijn, te natte plekken worden echter vermeden. Alleen ' s nachts of bij hoge luchtvochtigheid, zoals na een zomers regenbui, komen ze naar buiten. Ze zijn dan te vinden in het bos, langs beekjes of in moerassige gebieden. Ook zitten ze weleens op meer open plaatsen zoals bospaden, open plekken in het bos en in weilanden. Vuursalamanders zijn zeer plaatstrouw en zijn dus vaak hun hele leven lang, soms wel 50 jaar achtereen, op een gebied van enkele tientallen vierkante meters te vinden. Zijn typische leefgebied bestaat uit vochtige loofbossen in heuvelachtig terrein, die doorsneden worden door bronbeekjes. De salamander voedt zich met regenwormen en naaktslakken, die hij meestal 's nachts bijeen scharrelt.
's Winters kruipt hij diep weg in verlaten muizenholen of andere normaal ook gebruikte schuilplaatsen. Zodra de temperatuur boven de 5-8 °C stijgt, ontwaken de Vuursalamanders uit hun winterrust. 

In maart en april, bij uitzondering al in november tot december, gaat de vrouwtjes op zoek naar helder, zuurstofrijk water. De vrouwtjes lopen dan met hun achterlijf het water in en zetten de larven dan af op plekken waar het water niet te snel stroomt, zoals beekjes, bronputten, bospoelen en kwelsloten. Na ongeveer vier maanden is de metamorfose voltooid en trekken de jonge salamanders het land op. De drie tot vier centimeter grote, bruin gekleurde larven met uitwendige kieuwen veranderen dan in mini- Vuursalamanders. De voortplanting vindt plaats in juli en augustus. Mannelijke dieren zoeken daarbij bewust de vrouwtjes op. Het mannetje kruipt bij de paring onder het vrouwtje en sjouwt enige tijd met haar rond. Hij zet vervolgens het zogenaamde spermakegeltje af en schuift het vrouwtje ernaartoe, zodat zij dit kan opnemen. 
Volwassen dieren leven vrijwel uitsluitend op het land.