*info algemeen/uiterlijk/voeding/voortplanting/leeftijd/draagtijd

 

De soort komt zeer algemeen voor op de open steppen, grasvlakten en licht beboste gebieden van Oost- en Zuid-Afrika. Hij heeft een voorkeur voor velden met kort gras, zijn enige voedselbron.

In gebieden waar kort gras of water seizoensgebonden zijn, zoals in de Serengeti, gaan de gnoes van tijd tot tijd trekken. Hier leven gnoes in grote kuddes, die zich continu bewegen tussen de Grote Slenk in het regenseizoen en het Victoriameer en Masai Mara in het droge seizoen. Ze blijven in een gebied tot dit is uitgeput, en trekken dan weer verder. Bij deze trek blijven de dieren meestal de roofdieren voor. Ze leggen jaarlijks zo'n 800 kilometer af. Tijdens de trek kan een kudde gnoes een lengte aannemen van veertig kilometer.

De blauwe gnoe, ook wel gestreepte gnoe of gewone gnoe, is een grote antilopesoort met een grote, brede kop. De voorpoten zijn langer dan de achterpoten.

Hij heeft een donkergrijs-bruine tot lei-blauwe tot bleek-grijze vacht. Over de nek, schouders en in mindere mate de flanken lopen donkere verticale strepen. De snuit is van de neus tot het voorhoofd geheel zwart en de poten okergeel tot bruin. Verder heeft deze soort zwarte, warrige, lange manen over de nek en de schouders, een lange, zwarte staart die bijna de grond raakt en een baard op zijn nek en kin, die geheel wit tot zwart van kleur is. Kleuren verschillen per ondersoort.

Beide geslachten hebben ongeribbelde hoorns. Deze zijn 40 tot 73 centimeter lang, lopen eerst plat en krommen dan omhoog naar binnen toe. De hoorns van de mannetjes zijn dikker dan die van de vrouwtjes.

De kop-romplengte van de blauwe gnoe is ongeveer twee meter. Hij heeft een schofthoogte van circa 115-140 centimeter. Mannetjes zijn zwaarder dan vrouwtjes, waarbij vrouwtjes maximaal een lichaamsgewicht van 260 kg bereiken en mannetjes maximaal 290 kg.

Naast de blauwe gnoe bestaat er ook nog de zwarte- of witstaartgno

Blauwe gnoes zijn grazers, en eten zowel overdag als 's nachts. Hun voornaamste voedsel bestaat uit het snel groeiende grassen die te vinden op de savannes en de vlaktes. Wanneer grassen schaars worden, eten ze bladeren van struiken en bomen. In tijden van voedselschaarste trekken kuddes bestaande uit enkele duizenden gnoes honderden kilometers ver om voedsel te vinden.

Een gnoes is een herkauwers en heeft vier magen die nodig zijn voor de vertering van het plantaardig voedsel. Het gras wordt doorgeslikt en komt eerst in de eerste twee magen waarna het halfverteerd weer terugkomt in de bek. Hier wordt het nogmaals gekauwd. Vervolgens wordt het weerdoorgeslikt waarbij het in de andere twee andere magen komt en verder wordt verteerd.

Blauwe gnoes leven in kuddes en zijn erg territoriaal. Ze communiceren door middel van zicht, geluiden en reuk. In het regenseizoen leven vrouwtjes in kleine kuddes van ongeveer acht dieren. De mannetjes zijn het liefst in de buurt van water te vinden. Vaak sluiten ze zich aan bij vrijgezellengroepen met andere mannen.

De gnoe is altijd binnen een straal van 20 kilometer van permanent water te vinden en drinkt minstens tweemaal per dag. Hij is de gehele dag door actief, maar rust in de schaduw tijdens de heetste uren van de dag.

In gebieden waar gnoes niet hoeven te migreren, leven de dieren in groepjes van vrouwtjes met hun jongen. Deze groepen delen soms hun gebied met andere groepen. Individuele vrouwtjes worden weggejaagd. Als er toch water- of grasschaarste ontstaat, voegen deze groepjes zich bij elkaar tot grote kuddes en gaan ze kortstondig migreren.

Als de dieren samenkomen en grote kudden vormen, begint de bronsttijd, waarbij de mannetjes elkaar proberen weg te houden van de tochtige vrouwtjes. In de tijdelijke woongebieden die worden aangedaan tijdens de trek vormen zich kleine territoria. Deze territoria worden verdedigd met geluiden, geur, huppels en hoofdgeschud.

Hoewel de blauwe gnoe na 16 maanden geslachtsrijp is paart hij meestal pas wanneer hij 28 maanden oude is. De brons duurt drie weken en valt samen met de voor de voortplanting meest gunstige omstandigheden. Meestal is dit direct na het regenseizoen wanneer er voldoende voedsel is en begint het bij volle maan. De mannetjes eten en slapen niet wanneer er bronstige vrouwtjes in de buurt zijn. De mannetjes roepen dan veel en vechten onderling. Wanneer een vrouwtje gedekt is blijft ze zo lang mogelijk bij het mannetje.

Na acht maanden wordt één volledig ontwikkeld jong van ongeveer 19 kg geboren, dat binnen enkele minuten kan lopen. De jongen worden midden op de dag midden in de kudde geboren. Meestal werpen vrouwtjes tegelijkertijd, om roofdieren voor te zijn. Ongeveer tachtig procent van alle jongen wordt in een periode van drie weken geboren. Het jong kan binnen drie tot zeven minuten staan. Na acht maanden verlaten het jong de moeder om zich in een kudde aan te sluiten.

In hun derde levensjaar worden gnoes geslachtsrijp. Mannetjes beginnen na vier à vijf jaar voor het eerst eigen territoria te vormen. Gnoes kunnen tot twintig jaar oud worden, alhoewel de meeste door predatie hun twintigste levensjaar niet zullen bereiken.

lengte 170-240 cm.
schofthoogte : 115-145 cm.
staart: 60-100 cm.
♂ 165-290 kg.
♀ 140-260 kg.

De hoorns zijn 40 tot 73 centimeter lang en lopen eerst plat, krommen dan omhoog naar binnen.     

voortplanting : 1 jong

draagtijd : 8- 9 maand

leeftijd : ongeveer 20 jaar