*info/uiterlijk/voeding/voortplanting
 
De Alaskawolf kan 1 tot 1,5 meter lang worden, dit is kop en lichaam. De schouderhoogte kan tussen de 65 en 80 centimeter komen. En het gewicht tot 80 kilo, het vrouwtje is iets minder. Ze hebben een dikke vacht, dit is ook wel nodig want de temperatuur is heel laag waar hij woont.
Na de paring in maart verlaat het drachtige vrouwtje de roedel om een eigen onderkomen te zoeken. Vaak graaft ze een nieuw hol, maar als de grond bevroren is, is ze meestal gedwongen om haar jongen ter wereld te brengen in een bestaand hol of in een rotsspleet. Na een draagtijd van 61 tot 63 dagen kan ze 4 tot 5 jongen werpen. Bij de geboorte zijn de jongen blind en volledig afhankelijk van hun moeder. Na een maand ongeveer kunnen ze vlees eten, dit krijgen ze van de wolven die op jacht zijn geweest. Die eten zich vol en braken het dan op voor de jongen.Na ongeveer een maand kunnen de jonge wolven vlees eten. Vanaf dit moment verdeelt de roedel het vlees onderling. Zij vreten zich aan de prooi volkomen vol en braken het voedsel weer uit voor de jongen.
Volgroeide kariboes en muskusossen zijn veel te sterk om door een wolf in zijn eentje bejaagd te worden. Op een grote prooi jagen wolven daarom altijd met de hele roedel. In de open toendra is maar zelden genoeg dekking voor een verrassingsaanval; als een roedel wolven een kudde muskusossen inhaalt, hebben deze zich meestal al in een verdedigingskring opgesteld. Bij zo'n formatie zijn de wolven niet opgewassen tegen de hooms en hoeven van de muskusossen. Daarom begint de roedel een soort zenuwoorlog met de bedoeling de kring open te breken. De wolven beginnen heen en weer te lopen en dwingen zo de ossen steeds van positie te veranderen om hun belagers in het oog te houden. Vaak lukt de taktiek niet, maar als de wolven geluk hebben, gaan de ossen uit nervositeit uit elkaar. Ogenblikkelijk zetten de wolven dan de achtervolging in, waarbij ze proberen jonge of zwakke dieren van de kudde weg te drijven. Heeft een wolf zijn prooi te pakken, dan schieten de andere te hulp en sleuren zij hem met vereende krachten tegen de grond.
Gewoonlijk leven wolven in kleine roedels. Het zijn meestal kleine familiegemeenschappen die bestaan uit een koppel, hun jongen en hun oudere nakomelingen die nog niet gepaard hebben. De roedel wordt aangevoerd door de reu met de hoogste rang, het Alfa-mannetje. Zijn teef, het Alfa-vrouwtje, staat praktisch op gelijke hoogte. De overige leden van de roedel onderwerpen zich aan hen en stellen onderling de rangorde vast. Evenals bij het voeden en opvoeden van de jongen werken de volwassen dieren bij de jacht allemaal samen. Eenzaam rondzwervende wolven zijn meestal jonge dieren die hun roedel verlaten hebben op zoek naar een territorium. Zodra zo'n eenzame wolf een onbezet gebied gevonden heeft, markeert hij het met zijn urine en uitwerpselen om zijn aanspraak erop te laten gelden.
VOORTPLANTING
Geslachtsrijp: mannetje met 3, vrouwtje met 2 jaar
Paartijd: maart
Draagtijd: 61-63 dagen
Aantal jongen: 4-5
VERWANTE SOORTEN
De Alaskawolf is de noordelijkst levende ondersoort van de grijze wolf. Andere zijn de Mackenzie-Boswolf, de Europese wolf, de Japanse wolf en de rode wolf.